Je hebt dag- en je hebt nachtmensen zeggen ze, en ik zou mezelf toch in de tweede categorie indelen. ’s Nachts heb ik altijd het beste kunnen leren, feesten, wenen, leven, tot de vogeltjes weer floten en de mensen naar de bakker vertrokken. Dan was het mijn beurt om te gaan slapen.
Het leven als werkmens was dan ook een aanpassing. Plots moest ik meedoen met de sleur van het leven op de cadans van de te laat komende maar toch veel te vroeg vertrekkende trein. Opeens liep ik langs mensen op weg naar de bakker. Gaan werken vond ik niet erg, maar vroeg gaan slapen en vroeg opstaan wel.
’s Avonds klaarwakker woelen in bed. ’s Ochtends de harde, gemene wekker naar de realiteit, opstaan maar, if you snooze, you lose. Wakker worden is altijd een beetje sterven.
Maar het ritme kwam er. Stilaan viel ik ’s avonds in slaap in de zetel, zoals het hoort nietwaar, en in de weekends wordt er voorgenomen om eens geweldig uit te slapen maar het bioritme zei plots nee, zomaar.
Sinds een paar weken is dat opeens ook weer voorbij. De maan vraagt me naar haar te staren. Ik doe dat ook gewillig, in mijn pyjama op het terras. ’s Avonds ben ik nog even moe als anders, maar slapen wil niet meer zomaar lukken. Ik voel me alsof ik heimwee heb, maar ik ben thuis.
I long for the neon signs of night.

