Gisteren zat ik me op weg naar huis te vervelen op de bus, tot mijn oog viel op een wel erg zonderlinge kerel. Ondanks het feit dat hij een eindje van me af stond, leek het of hij boven me uit torende.
Wat mij het meeste trof was zijn glimmend, chocolade velletje om van te snoepen en mysterieuze bambibruine ogen waar hij zelfzeker mee rondkeek. De zon, die plotseling doorgebroken was, deed zijn parelwitte tanden glimmen, waardoor ik perplex vergat waar ik was.
De veel te luid staande mp3-speler van de behaarde puistenpuber langs me bracht me jammer genoeg weer op aarde. Geërgerd keek ik hem aan, hopend dat het mormel zou afstappen zodat de lange kerel langs me zou kunnen zitten.
De kraterkop begon echter irritant te neuriën, niet van plan te wijken, en ik kon het niet nalaten om de Bijzondere Kerel aan te staren. Zo ontdekte ik dat hij een wel erg speciale neus had.
Een gigantisch reukorgaan, een reusachtige neus voor dingen. Het lijkt wel alsof hij je smeekt, met trillende neusvleugeltjes, om alsjeblieft aangeraakt te worden, al was het maar om geslagen te worden met een ijzeren staaf.
Oh, ik zou dolgraag zijn neus bewerken, met wat dan ook. Zijn gebeeldhouwd lichaam zag er trouwens wel uit alsof hij tegen een stootje kon.
Ik droomde even over deze harde kerel, boom van een vent, dat hij mijn Potige Smurf was, en ik zijn zijdezachte smurfinnetje, en dat we samen beukennootjes gingen zoeken in een zomergroen bos.
Tot er plots een onbenul bij hem ging staan: een blond geval met dikke, zware plateauschoenen, waarschijnlijk opdat ze niet meteen de lucht in zou gaan door de enorme hoeveelheid lucht in haar hoofd.
Haar gigantische boezem was in een veel te strak topje gepropt, en haar twee meter lange aerobicbenen kwamen tevoorschijn uit een minuscuul rokje. Ik las het in haar lege lodderogen: ze had haar zinnen gezet op de Speciale Kerel.
Oh zij smerige hitsige teef, ik hoorde haar met hem praten en giechelen. De domme del, zo smeuïg als overreden boter op het asfalt bij zwoele zomertemperaturen. En nu moest ik ook nog gaan afstappen, hem achterlatend, ten prooi aan deze nymfomane.
Woedend duwde ik dus op de bel en kroop ik over de stelten van de bultenknul. Ik worstelde me langs een aantal bomma’s, zodat ik achteraan kon uitstappen, de god en de hoer negerend en voorgoed achter me latend. Getraumatiseerd wilde ik naar huis slenteren, tot ik ontdekte dat de Hemelse Jongen eveneens was afgestapt, hij liep zelfs mijn richting uit.
Wat een sexy wandel had deze ongenaakbare, eentje die zegt: een vrouw moet vallen. Hij wandelt kennelijk ook zó over het vrouwelijke geslacht heen, sjonge jonge, hoe hij een loopje met je neemt, de potentie straalt ervan af. Ik had de neiging om me, op de door mijzelf eigenhandig voor hem uitgerolde rode loper, aan zijn wulpse wandelende voeten te werpen.
In plaats daarvan kuchte ik, grabbelde mijn moed bij elkaar, zei op een niet al te klungelige manier: “Hoi!” en begon tot mijn verbazing een gesprek met hem, over koetjes en hun nageslacht, over zijn mentaal gehandicapte nichtje dat hij zonet op de bus had ontmoet, de dingen des leven.
In no time had hij me voor zijn wagen gespannen en huppelden we naar zijn thuis.